Home | Archief | Tijd voor turbo op innovatie
Tijd voor turbo op innovatie
woensdag 18 augustus 2010
Intensieve samenwerking tussen overheid, wetenschap en ondernemers is nodig
Mijn eerste auto werd indertijd door vrienden en kennissen stevig beschimpt. Ikzelf wist wat hij had gekost en was daarom redelijk tevreden. Dezelfde ervaring heb ik met het Innovatieplatform (IP), waar ik lid van was. 'Niets bereikt, een praatclub', zo luidt de kritiek van zo ongeveer iedereen die er niet in zat. Nog even en ook het Organon-drama wordt het IP in de schoenen geschoven.
Ik ben de eerste om toe te geven dat het IP niet de effectiefste club is waar ik ooit in zat. En zoals het merk van mijn eerste auto vanwege gebrek aan kwaliteit in Nederland niet meer bestaat, zo mag ook het IP in zijn oude structuur geen toekomst hebben. Een paar zaken op een rij die het IP heeft gedaan, met direct daarbij mijn analyse waarom onze effectiviteit onvoldoende was.
Het doel van innovatie is betere producten en diensten op de markt te brengen waar afnemers goed voor willen betalen zodat er veel toegevoegde waarde ontstaat. Mensen hebben daardoor goedbetaalde banen, er wordt goed winst gemaakt. Een innovatieve samenleving is dus welvarend. Kennis, ondernemerschap en een begunstigend maatschappelijk klimaat zijn de sleutels voor succesvolle innovatie en welvaart. Dat lukt behoorlijk in Nederland, maar de turbo moet erop. Opkomende landen concurreren allang niet meer alleen op kosten. Ook zij richten zich op een kennisintensieve economie.
Tegen die achtergrond is besloten dat het laatste IP vooral als een soort ijsbreker dingen gedaan moest zien te krijgen die de innovatie- en concurrentiekracht van Nederland ten goede zou komen. Gebaseerd op grondige studies naar onze concurrentiekracht hebben we geprobeerd een aantal concrete zaken aan te pakken.
Binnen de actielijn ondernemerschapsbevordering werd een project gestart voor snelle (door)groeiers dat is overgenomen door het ministerie van EZ, we hebben geijverd voor een sterk vak ondernemerschap binnen verschillende onderwijssoorten, er is een plan uitgewerkt om heel gericht vijftig snelgroeiende technologische bedrijven uit China, India, Taiwan en Zuid-Korea een vestiging in Nederland te bieden.
We hebben het advies 'Slimmer werken' uitgebracht dat nu samen met het bedrijfsleven geconcretiseerd wordt. Nederland is in de westerse wereld bepaald geen koploper bij nieuwe werkvormen die de arbeidsproductiviteit verhogen. Daar zit binnen de bedrijven een enorme potentie tot verhoging van de concurrentiekracht.
Met de kustconferentie en de metafoor van het tulpeiland werden waterbouwkundige werken als de Zandmotor en de innovatieve Afsluitdijk actief gesteund. Het energie-eiland op de Noordzee is met een aantal bedrijven tot een businesscase uitgewerkt voor far offshore windenergie. Voor de concretisering daarvan is nu geld beschikbaar.
Het IP heeft succesvol gewerkt aan de kenniswerkersregeling, om tijdens de recessie deze mensen aan het werk te houden. Verder is een programma uitwerkt om duizend promovendi uit het buitenland naar Nederlandse universiteiten te halen. Het gaat om kennisgebieden waar Nederland goed in is, maar die zelf onvoldoende studenten genereren. De buitenlandse promovendi worden via een retentiebeleid aan het Nederlandse economische belang verbonden. Voorzichtig is een begin gemaakt met implementatie door het aanstellen van een verbindingsofficier op de ambassade in Peking.
Met de Kennisinvesteringsagenda (KIA) hebben we de belangstelling voor R&D-sleutelgebieden bij zowel overheid als bedrijfsleven levend willen houden. Het bedrijfsleven is er blij mee en de zogenoemde KIA-coalitie zorgt voor continuïteit.
Het kan allemaal beter, maar feit is dat het clubje van IP-leden zich pro deo en zonder middelen, behalve een actief klein secretariaat, behoorlijk heeft ingespannen. Wat ging er dan niet goed?
Het IP heeft geen uitvoeringsmacht en bestaande, meestal Haagse organisaties riepen bij zo ongeveer elk onderwerp dat we oppakten: 'Niet doen, dat hoort bij ons.' De minister-president wilde doorpakken, maar het doorsnee-vakdepartement werkte tegen. Daar zit de uitdaging: hoe positioneer je zo'n organisatie als het IP, verondersteld dat je er een wilt?
Ik denk dat er een nieuw IP nodig is omdat bevordering van kennis en concurrentiekracht honderd keer urgenter is dan Nederland beleeft. Het nieuwe IP moet ook een samenwerking zijn van bewindslieden en van mensen uit de wetenschap en het bedrijfsleven. Ik zie in Nederland de zeer risicovolle trend dat ondernemers, wetenschappers en overheidsdienaren langs elkaar heen werken en elkaar zelfs mijden. Dat mag zeker niet gebeuren bij dit onderwerp.
Vervolgens kun je met een nieuw IP twee kanten op. De eerste is dat je het tot een officieel adviesorgaan bombardeert. Velen vinden advisering het toppunt van daadkracht, maar ik ben daarop tegen. Nederland barst van de adviesclubs die elkaar behoorlijk in de weg lopen. De tweede richting is dat je het IP sturende en versnellende macht geeft op middelenallocatie en op prioritaire actiegebieden. Daar ben ik voor. Want er zijn voldoende onderwerpen die in de drukketel mogen als het gaat om onze innovatie- en concurrentiekracht. Ik pleit voor een krachtige projectenorganisatie met middelen en bevoegdheden, buiten de staande departementen om en met zware participatie vanuit ondernemersland en de wetenschap.
Hans de Boer is econoom, ondernemer en commissaris. Hij schreef deze artikel op verzoek van de redactie van Het Financieele Dagblad
Bron: Het Financieele Dagblad
disclaimer | print deze pagina | reageer
U ontvangt een kopie van dit bericht.